HomeBiografieJochem JofelOotje TeurHumpo HotsflotsBeeldromansGeschrijfLinks
         
 

Het Ontstaan van Jochem JofelJochem Jofel
door Siem Praamsma
Februari 2010


 

1945 - De Kranten
Het was 1945. De oorlog was over; Nederland was weer vrij. De ondergrondse krantjes waren uit hun schuilkelders gekropen en konden nu in het openbaar uitgegeven en gelezen worden. Het Vrije Volk, De Volkskrant, Het Parool, De Waarheid, Trouw, enzovoort—allemaal kranten die hun wortels in de ondergrondse hebben en hadden.

Zo lang de oorlog aan de gang was bestond er een groot respekt voor de ondergrondse blaadjes. Want, als je dag in dag met propaganda en verzinsels gebombardeerd wordt die er op uit zijn om je in het ongewisse te houden over wat er echt gebeurt, ben je blij met een gestencild blaadje met actuele informatie, ook al moet je het meteen verbranden na het gelezen te hebben.

Want het in je bezit hebben van zo’n ondergrondse missive was doodgevaarlijk, niet alleen voor de bezorger, maar ook voor de ontvanger. Als je gepakt werd met dit soort literatuur in handen kon je van alles verwachten. Je kon in de gevangenis terecht komen, maar met net zoveel plezier naar een concentratiekamp getransporteerd worden, of de doodstraf krijgen; er was geen bepaalde norm—je lot was nu in handen van de “Sicherheitsdienst”, en die had blijkbaar geen vaste regels. Ondanks deze perikelen stopte het uitgeven van de “zwarte” krantjes niet, en ook onder elkaar was de saamhorigheid onder de ondergrondse pers groot. Het was niet ondenkbaar dat een Volkskranter (Katholiek) of een Trouwer (anti-revolutionair) het verspreiden van de Communist-gezinde Waarheid even overnam als de Waarheid-persoon om de een of andere reden niet in staat was zijn verspreidingsplicht te vervullen. Solidariteit! Allemaal in dezelfde boot tegen de Mof. TOPp

1929-1940 - Crisistijd
De crisistijd, van 1929 tot 1940, was het tijdperk van
Louis Davids met zijn “Kleinen Man”. Er was grote werkloosheid, en geldgebrek, zelfs nijpend geldgebrek, blijkbaar over de hele wereld. Vrijwel iedereen was arm, of bijna arm. Nederlanders van tegenwoordig, met twee autos in de garage naast hun riante doorzon-woning hebben geen idee waar we toen doorheen gegaan zijn.

Mijn vader klaagde steen en been over de voortdurende loonsverlagingen ingesteld door Minister Colijn, die hij verfoeide, waarschijnlijk samen met nog een heel stel andere Ministers. Colijn en zijn consorten waren rechts, mijn vader en zijn vrienden waren overwegend links, dat had ik ook begrepen. Maar ik was nog maar een jaar of veertien, vijftien, een volkomen nul op politiek gebied, hoewel ik donders goed begrepen had wie het was die het “pakkie van den Vice-Admiraal” betalen moest. Maar daar bleef het wel bij, mijn politieke inzicht. Ik voelde me niet voldoende onderricht om zinnig onderscheid te kunnen maken  tussen de over de vijftig politieke richtingen die tot en met die noodlottige dag toonaangevend waren in Nederland. Het was dan ook een moeilijke keuze. Het leek wel of het niet gaf of je door de hond of door de kat gebeten werd: iedereen had toch geldgebrek.

Een van onze vrienden, Han van Zomeren, die zei dat hij Communist was, vond dat het uitbreken van de oorlog bewees dat iedereen zich met politiek hoorde te bemoeien, maar de rest van ons kringetje had daar geen oren naar. Dat kan wel zijn, zei hij, wacht maar tot de politiek zich met jou gaat bemoeien.

Joop Kool ["Ster" in Geschrijf], een van onze Joodse vrienden, zei op een keer geleerd, dat Nationaal-Socialisme een contradictio in terminus was. Hoezo? vroegen wij. Hij legde uit dat Socialisme en Communisme algemene begrippen waren, iedereen betreffend, en dat het niet aanging om dat te beperken met een woord als Nationaal. Ik vond het nogal muggenzifterig, maar hij had waarschijnlijk gelijk. TOPp

1940 - Bezetting
Toen de oorlog uitbrak, in Mei 1940, was ik 19 jaar jong en onbedorven. Hoewel de kiem al in 1914 gelegd was, kwam de oorlog niet gelegen. We hadden net een tiental jaren crisistijd achter de rug, en we hadden betere tijden verwacht.

In de vier jaren die volgden was het de Bezettende Macht die het op het gebied van politiek in zijn eentje voor het zeggen had—zonder er ons in te mengen of ons te vragen of het wel goed was werd ons voorgehouden: “Duitsland Vecht Voor Europa Op Alle Fronten!”  De Bezetting maakte dat geschilpunten van geen betekenis werden. Tegen wil en dank hadden de Nazi’s ervoor gezorgd dat Nederland nu maar twee partijen overgehouden had: anti-Duits en pro-Duits. Nederland had de utopia-staat bereikt: 90% politiek homogeen.

Over het algemeen vertrouwden Nederlanders hun kranten die vóór Mei 1940 in hun bus gleden, zelfs al verschilden ze hier en daar wat van toon. Maar na de inval was de heersende teneur van het Nederlandse Nieuws op niet al te subtiele wijze gaan overhellen tot de Nazistische kijk op het wereldgebeuren. De Telegraaf bijvoorbeeld, leek in zijn uiterlijk nog steeds op De Telegraaf van een maand geleden, met dezelfde Gothische letters in de kop, maar de hoofdredacteur was onmiddellijk vervangen geworden door een NSB’er, waardoor het blad vrij snel een stevig onderdeel van het Deutsche Neues Buro werd.

Het werd spoedig duidelijk dat we niet meer konden verwachten enig redelijk, onafhankelijk nieuws in welke Nederlandse krant dan ook aan te mogen treffen – het was maar het beste om je eigen konklusies te trekken. Weliswaar werden er, meestal mondeling, geheime berichten verspreid door waaghalzen die met levensgevaar een radiotoestel op zolder verborgen hielden of vernuftig in een holle muur verstopt hadden, en die met veel moeite hadden kunnen ontcijferen wat er door de BBC gezegd werd. (De Bezetter onderhield dag en nacht storingen op die golflengte, die het verstaan van wat er gezegd werd heel moeilijk maakte). Maar zelfs die berichten waren niet altijd te vertrouwen – Nederland bevatte ook een heel stel NSB-ers die er niet tegen opzagen om ons allerlei valse onthullingen op de mouw te spelden. TOPp

1940-1945 - Politiek
Als ik al jong en onbedorven was in 1940 hadden de oorlogsjaren me niet echt gereed gemaakt om me zelfs met de na-oorlogse politieke toestand te willen inlaten. Vlak voordat de oorlog ten einde raakte bestond er voor een kort poosje een Duits-getind krantje De Gil, dat cynisch voorspelde dat de “Captains of Industry”, de Grote Collaborateurs, na de oorlog mischien even berispt zouden worden, maar na zeer korte tijd weer het heft in handen zouden hebben om te voorkomen dat de profijten van de Wederopbouw in handen van beunhazen terecht zouden komen. Er werd voorspeld dat de Collaborateurs de jongens waren met de nodige apparaten—de Weigeraars zaten financieel aan de grond en waren dus ineffectief.

Toen we dit lazen dachten we natuurlijk allemaal: Misselijke propaganda! Dat kan niet meer gebeuren in het Nieuwe Nederland! Niet nadat we de intense solidariteit onder de verschillende partijen met eigen ogen hebben kunnen aanschouwen! De politieke toestand van vroeger bestaat niet meer! Samenwerking! Onze Nieuwe Regering zal het Recht zijn loop laten hebben

Echter, niemand in de kers-vers uit Engeland gerepatrieerde Regering had er blijkbaar erg in dat ze de Heulers van hun apparaten hadden kunnen ontdoen en al was het maar uitlenen aan de nu noodlijdende Vaderlandslievende Weigeraars. O, de boosdoeners werden op het matje geroepen, dat was met niet te veel verbeeldingskracht te voorspellen geweest. Een paar ondergeschikten ging zelfs een paar weken de bak in! Het Recht moest gelden! De bazen werden streng onderhouden en beloofden het nooit meer te doen, wat niet bar moeilijk was, omdat een dergelijke situatie zich waarschijnlijk nooit meer zou voordoen, waarna alles weer ging zoals het voor de oorlog altijd gegaan was. Dit was een grote politieke schok, die in mij geen tedere gevoelens voor politici en aanverwante personen deed ontwaken. TOPp

Nachtmerries
We waren, zoals vele anderen, aardig wat vrienden en kennissen kwijtgeraakt. Han van Zomeren, gefusilleerd voor zijn Communistisch ideaal; Joop Kool, vergast omdat hij de sof had Joodse ouders te hebben; later ook zijn ouders, zijn jongere zus Hannie, allemaal naar het “Arbeitslager”; John, de broer van Piet van Elk (waarover meer later), die gesnapt werdt toen hij Joden over de grens smokkelde, overleed aan een plotseling opkomende “maagkwaal”; mijn broer Jan’s eerste vrouw, die op de eerste dag dat het nodig was voor Joden om de opzichtige gele ster te dragen besloot het nog een dag uit te stellen, een ernstige vergrijp dat haar in Auschwitz het leven heeft gekost. Nachtmerrie na nachtmerrie. TOPp

Een Droom
Gelukkig weten we nu dat het inderdaad niets anders dan een nachtmerrie is geweest. Een Wijze uit het Oosten heeft uit de doeken gedaan dat al die vergasserij maar een verzinsel was, door de Westerse landen, vooral Amerika, als een excuus gebruikt om de Staat Israel in het leven te kunnen roepen en de Joden een stuk van iemand ander’s land te geven.

Wat de Wijze uit het Oosten verzuimt te noemen (misschien is zijn Allah niet zo oud als Muslems denken dat hij is, en is deze hele episode ongemerkt aan hem voorbijgegaan) zijn de niet-Joden die in concentratiekampen verhongerd, doodgeslagen en op andere wijze vermoord werden. Tegenstanders van her regime zowel als Zigeuners, Homofielen, zwakzinnigen, Jehova’s Getuigen en andere religieuze dwarsliggers – nog eens zeven en een half miljoen, net zoveel als Joden, verloren hun leven in de nachtmerrie).

Maar het is een hele opluchting te weten dat het nooit plaatsgevonden heeft; het was toch al niet te geloven dat het echt gebeurd was. Misschien hebben we het wel gedroomd dat er eens soldaten door onze straten liepen, in een ganzenpas waarvan we dachten het eind gezien te hebben nadat het Duizend jaar Reich in elkaar gestort was. En toch . . . . het leek zo reëel.

Misschien dat we nu wel weer dromen als we hetzelfde potsierlijke gedoe op televisie zien, nu met een Orientaal tintje, terwijl we ons afvragen of de mensheid ooit leert. TOPp

Beroepskeuze
Weinig mensen van 20 weten 100% zeker welk beroep ze zullen gaan uitoefenen in de rest van hun leven. Ik hing en wurgde tussen musicus en reclametekenaar. Dit had veel te maken met het feit dat ik een luie inslag had, en dacht dat een van die twee beroepen, of misschien wel allebei, een makkie zou opleveren. Ik had de avondschool van de Kunstnijverheidsschool bezocht, en had wat beginselen van Reclame geleerd. Maar ik had ook in ’37 of ’38 voor vijf gulden een trompet gekocht van een vriend van een vriend, die in geldnood verkeerde. Na een paar weken kon ik daar aardig geluid uit krijgen en ik imiteerde trompettisten zoals Louis Armstrong en de toen populaire Engelsman, Nat Gonella. Ik ontmoette daardoor andere jongens die een instrument speelden: pianisten, saxofonisten, trombonisten, drummers, guitaristen – een hele nieuwe, prettige wereld begon zich voor me te openen. Saxofonist en klarinettist Piet van Elk en ik richtten een kleine vijf-man swingbandje op, en ik waande me een musicus. Dat was natuurlijk niet zo: een echte musicus studeert jaren voordat hij zich dat noemen mag, en ik was eigenlijk maar een kwajongen met een trompet. Maar toen we na een poosje wat naam begonnen te krijgen, was ik er niet helemaal meer zeker van of ik nu wel een reclametekenaar zou willen zijn of een toonkunstenaar. Het leek wel of van geen van de twee beroepen een breuk of een zere rug kreeg.

Piet van Elk was een tekenfilm-enthousiast, en we bekeken samen stukjes film van Max Fleisher en Walt Disney, beeldje voor beeldje, om te zien hoe het gedaan werd, en uit te vinden waarom het nodig was bewegingen te overdrijven. Piet was namelijk van plan om, samen met zijn broer John, een tekenfilmstudio te beginnen. Hij wist ook aardig wat van de technische kant ervan; hij had allerlei literatuur over het onderwerp, en was zelfs een camerastand aan het bouwen. Ook had hij stapels uit de krant geknipte Mickey Mouse strips, en had zelfs het begin gemaakt van een eigen stripverhaal met een figuurtje dat hij “Bim” genoemd had. TOPp

Oorlog
En daar kwam de oorlog, en de Bezetting.

De Duitse Overheid hield niet van Jazz, dat ze “Jats” noemden, en bestempelden als “Negermoeziek”, een gedegenereerde Amerikaanse uitwas, die niets met muziek te maken had. Rimboe-geluiden, die een verruwing van de mentaliteit veroorzaakten.

Echter, Jazz was wat wij voortbrachten. Wij improviseerden, er kwam geen geschreven noot aan te pas. Ook vonden we snel uit dat, als je een musicus was, je verondersteld werd lid van hun “Kulturkammer” te worden, en je aan hun strenge, nette regels te houden. Dit betekende voor ons dat we van nu af aan alleen nog maar wat wij noemden “hopsasa” muziek mochten produceren. Je mocht dan nog wel eens een geimproviseerde solo spelen, maar die mocht niet langer zijn dan vier maten. Bovendien mochten Joden zich al spoedig niet meer in openbare gelegenheden ophouden, en dat betekende meteen al het einde van de muzikale carriere van onze drummer.

Natuurlijk hielden we ons niet aan die waanzinnige voorschriften. Degenererend gingen we verder met het verruwen van de Nederlandse mentaliteit, maar het was niet zonder gevaar, want je wist nooit of er zich niet een Kulturkammer-spion in het publiek ophield, die onze snode daden zou doorgeven aan de Autoriteiten. De aardigheid was er een beetje af. Het was zonder dat al geen pretje om onder de Nieuwe Orde te leven – je raakte er aan gewend om voortdurend over je schouder te kijken, met een constant kriebelig gevoel in de maag. En we hadden nog 999-plus jaar tegoed.

Piet van Elk had meteen in Juni 1941 aan De Telegraaf aangeboden om de Mickey Mouse strip voort te zetten, nu de aanvoer uit Amerika stopgezet was, maar de redaktie van De Telegraaf wees hem erop dat dat een schending van Walt Disney’s copyright zou betekenen, en dat was zelfs de Nazi’s te bar. Het bleek later dat de Muis verslonden was door een Kat. De strip Tom Poes van Marten Toonder begin in 1941 in De Telegraaf en het Nieuws van den Dag te verschijnen. Die werd door ons ook druk uitgeknipt en ingeplakt. TOPp

Ontmoetingen
Ik had kennis gemaakt met Joop Philips, de pianist van Johnny Meyer, de bekende accordionist. Johnny had een cafe op de Nieuwendijk. Als gast blies ik daar wel eens een stukje trompet mee, en Johnny engageerde me, in 1941, om daar als vast lid van zijn groep te komen werken. Johnny’s bassist was Nelis Pieters, ook bekend staand als Manke Nelis.

Omstreeks dezelfde tijd gingen wij vaak kamperen, soms met Joop Kool, Carol Penraat en Henk Huiskes, een andere pianist, in Hargen, in Noord Holland. Op hetzelfde kampeerterrein ontmoetten we op een dag de dames Loeki Uittenbroek, Rita Volk en Riet Gons, drie telefonistes uit Amsterdam, waar we meteen anschlusz mee hadden.

Hargen lag aan de zee, en het wemelde er van de SS’ers, die blijkbaar in een kazerne in de buurt gelegerd waren. Die jongens wilden wel eens kennis maken, en waarschijnlijk liever met de meiden dan met ons, maar dat probeerden wij zoveel mogelijk te vermijden. Het was nu eenmaal niet politiek correct om je met de vijand in te laten. Dit was niet altijd te verwezenlijken. Op een middag, zittend boven aan de trap die naar het strand leidde, werden de dames door een SS’er aangesproken met het smoesje of ze misschien wisten waar er een sigarenwinkel was. Een van de drie antwoordde in het Duits, wat aan de SS’er een complimentje ontlokte. “Sie sprechen gut Deutsch! Sind Sie vielleicht einmal in Deutschland gewesen?”

Ja, ze waren daar wel eens geweest, maar waren niet van plan daar voorlopig nog eens heen te gaan. Hij zei dat hij uit Oost-Pruisen kwam. Het gesprek kwam natuurlijk op de Bezetting, en dat de Nederlanders daar niet erg blij mee waren. Omdat het bekend was dat SS’ers vrijwilliger waren, vroeg een van de drie of dat zo was.

Hij draaide zich om en riep tegen een andere Duitser: “Heinz! Komm ‘mal hier!” en toen Heinz naderbij gekomen was, zei hij: “Heinz, sag’ mal, Du bist doch auch Freiwilliger?” Heinz draaide zijn ogen ten hemel. “Ja, natürlich, Karl! Ich bin ein Freiwilliger!” Daarna barsten ze allebei in lachen uit.

Ze legden ons uit dat als je wachtte tot je opgeroepen werd, je meteen naar het Oostfront gestuurd werd. Als je “vrijwillig” in het leger ging, had je wat meer keus.

Hierna werd de conversatie iets minder gespannen, en een van de drie dames had zelfs de brutaliteit op te merken: “Hitler ist doch verrückt!”  (Dit was een gewaagde opmerking die we in het begin nog wel eens op een Duitser uitprobeerden, maar dat leerden we snel af). Karl sprak deze observatie en conclusie niet tegen, hoewel hij het ook niet beaamde. Wat hij wel zei, was dat ze een beetje op hun mond moesten letten. Hij verklaarde dat er met hem noch met Heinz een probleem was op dat gebied, maar hij waarschuwde hen voor een andere SS’er, die iets verderop stond, en een bril op had. “Met die moet je oppassen. Dat is een Nazi.”

Welkom in de realiteit van Adolf’s droomwereld. Twee best aardige knullen uit Oost Pruisen. Duidelijk geen vechtersbazen. Maar de politiek had zich met hen bemoeid, en ze bevonden zich nu, in het uniform van kanonnenvoer, ver van huis in een vreemd land waar ze met de nek aangekeken werden.

Stuitje PlatvoetNaar Piet’s voorbeeld was ik ook aan het ontwerpen van stripfiguurtjes begonnen, maar ik was daar tot nu toe nog niet erg succesvol mee. Ik had me geconcentreerd op een Eend als hoofdfiguur, een kruising tussen Donald Duck en Wammes Waggel. Ik had er nog geen naam voor bedacht, maar op een dag, in 1942, leerde ik door een oud-klasgenoot C.H. Pieterse (Striplexicon, pagina 193) kennen, die een strip in Het Volk had lopen: “Dikkie Duiver en Paultje Poon”, en naar een inkter zocht. Ik bood me aan. Voor een korte tijd werd ik Pieterse’s medewerker. Het staat me niet helder meer voor de geest waar Dikkie Duiver over ging. Ik weet alleen nog dat het zich onder water afspeelde, dus Dikkie en Paultje zullen wel vissen geweest zijn. Na verloop van tijd kwam Pieterse ons wel eens opzoeken, en ik liet hem schetsjes zien, onder andere van mijn Eend, die nog geen naam had. Hij noemde hem onmiddellijk: “Stuitje Platvoet”, want ik had hem enorme voeten gegeven, en een flinke opstap. De Eend is nooit werkelijkheid geworden. Ik had te veel moeilijkheden met de gezichtsuitdrukkingen. TOPp

Tekenfilm en Strips, Marten Toonder Studios
We waren dikke vrienden geworden met de drie dames die we in Hargen ontmoet hadden, en Loeki liet me op een dag een advertentie zien van een tekenfilmstudio, die medewerkers zocht. Ik meldde me bij deze Toonder-Geesink Productions, op de Nieuwezijds, met wat voorbeelden van mijn inktwerk en begon daar als cel-inkter. Dit duurde maar kort, want toen bleek dat ik iets van het systeem afwist werd ik tot assistent-animator benoemd. Dat jaar was een van de hoogtepunten van mijn leven, maar daar heeft een 22-jarige geen idee van. Ik werkte dagelijks samen met lui die later grote bekendheid kregen, zoals Cees van de Weert, Henk Kabos, Wim Boost, Geertie Knoef, Hans Kresse, Carol Voges, Jan-Dirk van Ekster, Henk Sprenger, Henri Albers, en die konden allemaal tekenen. Dat was meer dan van mij gezegd kon worden, want hoewel ik daar als animator best op zijn plaats was, vond de Baas mijn tekenkunst maar zo-zo.

Marten Toonder tekende zijn dagstrips in zijn privékantoor, en gaf daarna de potlood- tekeningen aan Wim Lensen, die ze in inkt zette. Wim Lensen had zijn desk in dezelfde kamer waar wij zaten te animaten, zodat wij nu en dan over zijn schouder zijn kunsten konden afkijken. TOPp

Toonkunst
Hoewel werken aan een tekenfilm zijn interessante en opwindende kanten heeft, is het werk zelf vrij eentonig. Het salaris was ook niet geweldig; het leek wel of trompetblazen meer opbracht, en toen Nelis Pieters, in 1943, mij voorstelde lid van zijn 10-man orkest te worden, dat op tournee ging door Nederland, met Trekpleisters zoals Kees Pruis, toen een bekende humorist, en Frans van Schaik (De Zingende Zwerver), gaf ik mijn baan bij de studio op en werd weer musicus.

Bij de eerste repetitie bleek dat dit tien-man sterke orkest geen repertoire had. Daar had niemand bij stilgestaan, want dit waren allemaal musici die gewend waren om in kwartetjes of kwintetjes te spelen, waar je vrijwel geen organisatie bij nodig had – je hoefde alleen maar kunnen improviseren, er stond niets op papier, en iedereen wist wat te doen. Maar met tien man lukt dat niet, dat vereist wat organisatie. En om tien soloisten in de maat te laten lopen en in een orkest om te toveren valt niet mee.

Er was ook de kwestie van het repertoire zelf. Je kon als een klein groepje wel wat Amerikaanse nummers op je programma hebben, maar als je met een officieel orkest uit de bus kwam, voor een zaal vol mensen, kon je wel last met de gevreesde Kulturkammer verwachten. Deze nieuwe toestand moest van meet af aan anders aangepakt worden. Amerikaanse nummers mocht niet, Duitse mopjes wilden we niet, en er bestonden eigenlijk maar weinig Hollandse composities die de moeite waard waren.

Ik had in het verleden eens een soort “Herkenningsmelodie” bedacht, maar die was nog nooit op papier gezet. Ik kon niet vlot muziek lezen, maar ik had een greintje kennis van accoorden en muzieknotatie, genoeg om iets eenvoudigs op te kunnen schrijven. En met de zelfverzekerdheid die alleen maar kan worden voortgebracht door iemand van drie-en-twintig, kwam ik op de volgende repetitie gewapend met een “tune” van 16 maten, met een fanfare einde, op zes velletjes muziekpapier, voor twee trompetten, een trombone en drie saxofoons.

Met de saxofonisten had ik geen probleem, maar de trombonist keek naar zijn partijtje en zei: “Wat moet ik daarmee? Je hebt dit in de vioolsleutel geschreven en een trombone staat in de bassleutel.” Ik moet beteuterd gekeken hebben, want hij zette me meteen daarna op mijn gemak. “Het geeft niet, hoor,” zei hij. “Ik kan het in mijn hoofd omzetten. Ik heb jarenlang van derde-trompet partijtjes moeten lezen.”

Ondanks mijn vertoon van onbekendheid met de fijne kneepjes van het vak speelden we het dingetje, en tot mijn verbazing klonk het beter dan ik vermoed had. Het leek wel echt! Hierdoor gesterkt had ik voor de volgende bijeenkomst een swing-arrangement bij me van het Hollandse liedje “Roodborstje”, gebaseerd op de formule die de “Ramblers” toepasten. Ook dat leek ergens op. Hee! Ik was een arrangeur! Maar ik had nog meer noten op mijn zang. Een paar dagen later had ik een eigen compositie bij me, en ook dat klonk redelijk goed. Tjonge-jonge! Ik was nog een componist ook!

Ik weet natuurlijk wel dat Wolfgang Amadeus zich op de knieen zou hebben geslagen van het lachen als hij me had kunnen zien prummelen, maar voorlopig was ik Koning Eénoog in het land der blinden.

Toen we eindelijk op tournee gingen, bevatte het repertoire zes van mijn composities, en ik had er nog wel meer in mijn hoofd, maar daar is nooit iets van gekomen, want als je altijd in hotels leeft is er weinig gelegenheid om rustig te zitten schrijven.

Kees Pruis, die dacht dat ik beter was dan ik was, gaf me eens de tekst van een van zijn liedjes en vroeg of ik daar een melodietje bij kon maken. Maar dat is me niet gelukt. Ik kon er gewoon niet in komen. Dat is een heel aparte tak van dienst, en zijn pianist was daar veel beter in. Die raffelde iets heel behoorlijks af in minder dan geen tijd.

“Carlo Pietro en zijn Orkest” heeft bestaan tot het, bij gebrek aan transport, kort nadat de Grote Treinstaking begon, overleed. We hebben het nog een keer geprobeerd met een vrachtauto op houtgas, maar dat was geen betrouwbare manier van voortbewegen, er waren teveel problemen mee. TOPp

Invasie
De Invasie vond op 6 juni 1944 plaats. Dit stond niet in de krant. Waarschijnlijk vond Het Bewind dat het geen nut had om het het Nederlandse publiek te laten weten. Noch werd er de volgende dag vermeld dat Siem Praamsma en Laurence Maria (Loeki) Uittenboek op 7 juni 1944 in Amsterdam, onbekend met het wereldgebeuren, in het huwelijk getreden waren.

Het ging niet ongemerkt voorbij aan Manke Nelis. Op de dag nadat we getrouwd waren zag hij ons lopen op het Stationsplein in Amsterdam en schoot op ons af. We vertelden hem het heugelijke nieuws en hij zei: "Wacht hier even!", en snelde weg, om enige ogenblikken later terug te komen met een enorme bos rozen, die hij Loek in de hand drukte.

De oorlog woedde nog bijna een jaar door, en in de laatste maanden ervan had ik ampel tijd om te zitten tekenen, want de muziekwereld bestond practisch niet meer – iedereen had het in de hongerwinter te druk met het opsporen van voedsel en het trachten uit de handen van de Duitsers te blijven. Ik was ondergedoken, eerst op de Weteringschans, waar ik een schuilplaats had gebouwd in een holle muur naast de kleerkast, later in Naarden, met een schuilplaats onder de trap naar de zolder, en nog later in Hilversum, bij Loek’s ouders. TOPp

Eend Wordt Mens
Gedurende die tijd veranderde de Eend langzamerhand in een dik mannetje met een overmaats pinkeldasje en een lorgnet. Tegen april of mei 1945 had ik zelfs al een paar strips vervaardigd, naar het voorbeeld dat ik bij Marten Toonder had zien ontstaan, maar in mijn opinie waren die niet de moeite waard om aan iemand te laten zien. Voorlopig was het alleen nog maar een moeizaam tijdverdrijf. Ik had over de eerste zes of zeven strips een maand gedaan, en ik was er niet geweldig mee ingenomen. Wel had ik mijn stripheld al een naam gegeven. Ik had besloten dat hij, in tegenstelling tot al die onwaarschijnlijke striphelden die al bestonden, een anti-held zou moeten zijn, een bangebroek. Weliswaar met een meerderwaardigheidscomplex, zoals dat bij meer mensen voorkomt, maar geen krachtpatser. Een betrekkelijk gewoon mens, met gewone menselijke reacties. Een min of meer jofele jongen. Jofel. Jopie Jofel. Nee, te gewoon. Johannes Jofel. Ook niet, loopt niet lekker. Jochem Jofel. Perfect! TOPp

Vreede
In Mei 1945 was de oorlog eindelijk voorbij, en er werd weer muziek gemaakt in Amsterdam, dat fungeerde als “Rest and Recreation Area” voor Canadese soldaten. Samen met Henk Huiskes en Ger Bronk, een geweldige tenorsaxofonist, waarmee ik al voor de oorlog kennis gemaakt had, en een drummer waarvan ik de naam vergeten ben, speelden we op de Nieuwendijk, tegen 130 gulden de man per week. Bovendien waren de Canadezen erg gul met het weggeven van sigaretten, die nog steeds schaars en duur waren. Een verzoeknummertje bracht soms een “handje” sigaretten op, en de meeste avonden gingen we naar huis met ieder tien, twintig, sigaretten, die  óf zelf opgerookt, of verkocht konden worden. Zo’n  inkomen van 150 gulden per week maakte dat striptekenen voorlopig niet vooraan stond op mijn lijst van prioriteiten.

Loek had mijn probeersels aan Pieterse laten zien, en die vond ze goed genoeg om mee te nemen en stelde haar voor ze aan de redactie van Het Volk te laten zien, dat nu Het Vrije Volk heette, en waar hij connecties had, in de hoop op een plaatsing. Loek was het met hem eens. Een paar dagen later kwam Pieterse terug met de boodschap dat Het Vrije Volk niet geinteresseerd was, maar dat hij het waarschijnlijk kon plaatsen in De Waarheid, een communistisch getint nationaal dagblad. Ik vroeg aan Pieterse wat voor een krant het was, en hij zei “nogal links”, iets linkser dan Het Vrije Volk. Een in de ondergrondse goed-bekend staande publikatie. Ik zei dat ik er over wilde nadenken, maar toen ik een paar dagen later ’s avonds thuis kwam, gaf Loek me het heugelijke nieuws. De Waarheid had het aanbod geaccepteerd. TOPp

Paniek
Onmiddellijk zette paniek bij me in. Het was aardig geweest als een soort tijdverdrijf, maar het produceren van een dagelijks stripverhaal zag ik helemaal niet zitten. Ik wees haar er op dat ik nog lang niet klaar was om zo’n permanent engagement te ondernemen, het leek nog nergens op, ik was te langzaam, ik wilde nog wat meer tijd hebben om de kwaliteit op te voeren, ik . . . wist me geen raad en verzon van alles om er onderuit te komen. Zoveel zelfvertrouwen als ik met muziekmaken had, zo weinig had ik als het op tekenen aan kwam. Maar het onvermijdelijke gebeurde: Jochem Jofel begon zijn krantenleven op 21 juli 1945, met “Het Avontuur in de Slummerdamse Bergen”.

(De Waarheid had toen nog niet zijn eigen drukkerij. Het blad werd gedrukt op de persen van Het Handelsblad. Het was waarschijnlijk een noodlijdend bestaan, want een grote bron van inkomsten van iedere krant bestaat uit advertenties. De Waarheid was geen favoriet van het grote publiek, en grote zaken wilden zich niet associëren met wat eigenlijk een opruiende publikatie was.)

Werkschuwe vlegel die ik was, gaf ik na een week het trompetspelen er aan. Ik was gewend om ’s morgens tot een uur of elf te slapen, op m’n gemak wat te eten, en rond te hangen, en als je dan om 6 uur weg moet (we werkten van 7-11 uur) blijft er niet veel tijd over om moeizaam strips te tekenen. Ook moest er tijd af om het verhaal te bespreken met Gerrit Kouwenaar, die door De Waarheid aangewezen was om de teksten te schrijven. Wat niet zo leuk was, was dat De Waarheid slechts vijf gulden per strip betaalde, neerkomend op 25 of 30 gulden per week, een stevige inkorting van ons inkomen.

Henri Albers (voor mij nog steeds “Henkie”) kwam me in het begin af en toe belangeloos een handje helpen. Aan zelfvertrouwen ontbrak het hem niet. Hij kon in een paar tellen iets bruikbaars op het papier slingeren.

“De Slummerdamse Bergen” werd gevolgd door “De Erfenis van Den Ouden Jofel”, “De Zwaartekrachtmachine”, en “De Baron Poeth van Banck-Rhoetinghe”.  Jochem had eerst nogal wild zwart haar, en droeg een lorgnet. Dit knijpbrilletje liet ik de loop van het eerste verhaal varen, en pas in strip nummer 46 kreeg hij voor de eerste keer zijn kleine gleufhoedje.

Er ging een boekje verschijnen van “De Erfenis”, en ik besloot de tekst, die door Gerrit Kouwenaar geschreven was, wat te veranderen, meer in overeenstemming met mijn gevoel over de strip. Daarna kwam ik met De Waarheid overeen dat ik mijn eigen teksten zou schrijven.

Toen ik met de "Baron Poeth van Banck-Rhoetinghe" bezig was, omstreeks februari of maart 1946, vroeg de redactie van De Waarheid mij om een tekening te maken voor een kleur-in-wedstrijd voor kinderen. Het was voor het Paasnummer, een volle pagina met haasjes, kippetjes, kuikentjes, mandjes met eieren, en een boerderijtje en van alles en nog wat op de achtergrond. Ik accepteerde, en leverde na een week of wat de gewenste tekening af, met een rekening voor 100 gulden, volgens afspraak. Het Paasnummer kwam in april– geen kleur wedstrijd. Gebrek aan plaatsruimte, zei hoofdredacteur van der Drift, en daar was blijkbaar voor hem de kous mee af.

De Waarheid was een krant die uitlegde dat de wereld in twee kampen verdeeld was: een grote massa zich eerlijk in het zweet werkende, maar onderbetaalde arbeiders, plus een kleine elitaire groep schatrijke nietsnutten die dagelijks grijnzend naar de Bank slenterden om daar de over de moede ruggen van de zwoegende arbeiders verdiende winsten te deponeren. Ik had dus geen reden om te denken dat een krant zoals dat mijn rekening niet zou betalen. Echter, ondanks mijn herhaald aandringen kwam van der Drift niet met mijn eerlijk verdiende honderd gulden over de brug.

Wat was de reden voor deze merkwaardige beslissing? Als ik er over nadacht kon ik met een stuk of wat mogelijkheden opkomen. Ten eerste: de tekening kon niet in de smaak gevallen zijn. Heel goed mogelijk. Ten tweede: er kon inderdaad geen plaatsruimte zijn geweest. Papier was nog steeds schaars. Ten derde: De Waarheid had het geld niet. Mogelijk, maar niet waarschijnlijk. Ten vierde: Ze hadden met hun Hoofdkwartier in Moskou gebeld en de bazen daar hadden gezegd: “Zijn jullie nou gek? Pasen is een religieuze feestdag, daar geven wij geen cent aan uit.” Wat de  reden dan ook was, de rekening werd nooit betaald. Het geeft anders wel aardig aan hoe snel idealen aangepast kunnen worden als de rollen omgedraaid zijn. TOPp

Problemen
“Jochem Jofel als Detective” volgde de “Baron”, waarna Jochem naar Amerika reisde, en “De Geest van Ugh Wau” tegenkwam. Terwijl Jochem zich met het ontmaskeren van de Geest bezig hield, vroeg de redactie van De Waarheid of ik niet eens een verhaal kon produceren dat een politieke inslag had. Ik zei dat ik niets van politiek af wist en dat ik liever op de vlakte wilde blijven met mijn keuze van onderwerpen. Maar de redactie hield vol, en ik beloofde er mijn aandacht eens aan te schenken. Ik besprak het met Loek.

Loek had net The Prisoner of Zenda gelezen, en legde me uit dat het ging over de Kroonprins van Ruretanië die ontvoerd was en hoe iemand die op hem leek zijn plaats ingenomen had. “Daar heb je je politieke verhaal”, zei ze. “Jochem lijkt op de kroonprins van een of ander land, en dan zie je maar verder”.

Ik dacht bij mezelf: “Dit wordt het politieke verhaal dat alle andere politieke verhalen ver achter gaat laten.” Zo begon in december 1946, met strip nummer 421, “Jochem Jofel en de Verdwenen Kroonprins.” Ik laat het hier volgen zoals het verscheen, met wat commentaar waar nodig.

Jochem Jofel krijgt een briefje in de hand gedrukt door Mientje, het derde keukenmeisje. Daarop staat een adres in Rarestad, de hoofdstad van Rareboulië. Het blijkt een eenvoudig huis te zijn, met een kleine bungalow in de tuin. Jochem gaat erheen, klopt op de deur, en vind dar de kroonprins, zittend achter een schrijftafel. De volgende conversatie ontstaat:

“Majesteit!” riep Jochem Jofel, en hij maakte een klein buiginkje. “Ik heb U gevonden! Iedereen is naar U aan het zoeken! Waarom verschuilt U zich in dit eenvoudige huisje?”

“Hou op met dat ge-majesteit!” zei Jan de Derde. “Zeg maar gewoon Jan3, hoor. Eigenlijk wil ik helemaal geen koning worden! Niet voordat er grote veranderingen plaatsvinden!”

“Wat voor veranderingen?” vroeg Jochem. “Wilt U meer goud in Uw kroon? Of meer autos?”

“Je begrijpt er niets van, Jochem Jofel,” zei Jan3 hoofdschuddend. “Ik ben juist ziek van al dat gedoe dat met koningzijn te maken heeft. Er is veel onrecht in de wereld, Jochem, en daar moet een eind aan komen!”

”Daar ben ik het mee eens,” zei Jochem. “Ik heb veel over de wereld gereisd en het is me opgevallen dat lang niet alles is zoals het zou moeten zijn. Maar wat kunnen we er aan doen?”

“Wetten!” ziei Jan3. “Wetten die het onrecht verbieden! bijvoorbeeld. Jij zou me daarmee kunnen helpen. Ik heb al een paar van die wetten opgeschreven. Deze bijvoorbeeld: Kranten mogen alleen nog maar de waarheid drukken. Het wordt van nu af aan verboden te jokken, met een zware geldstraf voor overtreders.”

”Dat kan aardig wat geld in het laadje brengen,” dacht Jochem. ”Hoe zou je zo’n wet kunnen uitvoeren?”

“Er wordt een Minister van Waarheid aangesteld, die daar toezicht op moet houden.”

“En wie zou dat moeten zijn?” vroeg Jochem. “Ik weet niet veel van politiek af, maar ik weet wel dat er niet zo erg veel doodeerlijke politici bestaan.”

“Dat is mijn volgende punt. Politici moeten een examen afleggen om te zien of ze wel de nodige kwalifikaties hebben voor hun post.”

“O, absoluut!” vond Jochem. “Daar ontbreekt het nog wel eens een beetje aan!”

schrijf_op“Hier, neem een blocnote,” stelde de prins voor. “Schrijf het vast op, voor we het vergeten.” Jochem nam aan de schrijftafel plaats en begon te schrijven.

“Er moet een Akademie komen voor het opleiden van politici.”

“Opgeschreven!”

“Grenzen moeten open. Eén wereldbevolking. Iedereen moet een kans krijgen.”

“Oorlog moet ook verboden worden!” zei Jochem Jofel. “Wat denkt U daarvan?”

“Prachtig! Schrijf het op!”

“Inflatie mag niet meer. Er moet een nieuw geldstelsel komen met een globale munt-eenheid.,” stelde Jochem Jofel voor. “Het is zo lastig als je steeds geld moet wisselen aan de grens.”

“Goed idee! Hoe zullen we de nieuwe munt noemen?”

“Daar heb ik ook al eens eerder over nagedacht. Wat denkt U van Uw-rotjes?”

“Klinkt goed,” zei Jan3. “Dan kunnen we er zeker van zijn dat dingen niet steeds duurder worden. Inflatie wordt een fenomeen uit het verleden.”

“Ik heb nog iets, Jochem. Dat is een beetje persoonlijk, maar het betreft Jan de Tweede, mijn vader.”

“Hij was heel even ook mijn vader,” zei Jochem Jofel. “Zeg het maar.”

“Een koning moet kunnen lezen en schrijven,” zei Jan3. “En Jan de Tweede heeft het nooit geleerd. Schrijf dat ook maar op.” Jochem schreef.

“En wat nog meer?”

Jan3 keek een beetje verlegen.”Ja, er is nog meer. Ik wil Mientje.”

“Wie is Mientje?”

“Mientje is het Derde Keukenmeisje in het paleis.”

“Daar kunnen we geen wet voor maken,” zei Jochem Jofel. “Dat moet je aan je vader vragen!”

“Dat vindt-ie vast niet goed”

“Okee, we maken er een wet van. Als het eenmaal een wet is kan niemand er meer wat aan doen.”

Niets in de krantJochem zette het allemaal op papier, en samen stelden ze al die wetten samen die de hele wereld veranderd heben. Want alle landen deden mee, zo sloeg het aan. In Nederland, bijvoorbeeld, werd er een Commissie ingesteld om het nieuws in de dagbladen te zuiveren. Deze werd genoemd: Ook Nieuws Zuiverheid In Nederland (ONZIN). U zult zich nog wel herinneren dat er een tijdlang niets in de krant stond, want nu bleek dat er haast niets helemaal waar was. Het gevolg was dat alleen nog maar het weerbericht van de vorige dag gedrukt mocht worden, en een paar advertenties, want die zijn haast altijd voor 100% accuraat.

Ook is er sinds die tijd nooit meer oorlog geweest, want toen het eenmaal wettelijk verboden was, kon niemand er meer wat aan doen.

Het nieuwe geldstelsel kwam, en alles werd onmiddellijk een stuk goedkoper.

Jan de Tweede ging terug naar school, leerde lezen en schrijven, en toen hijeenmaal schrijven kon, kon hij niet ophouden en schreef in korte tijd 39 dikke boeken. Ook hij had geen zin meer om koning te zijn, maar nam wel de post aan als Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.

Iedereen die jokte werd beboet, en dat deed de Schatkist geen kwaad. Veel Sociale Zorgen konden met de opbrengst betaald worden.

Academies voor politici kwamen tot stand, en de gepromoveerden ervan hebben de wereld geleid tot de perfecte staat waarin het nu verkeert. Oorlogen kwamen alleen nog maar in slechte herinneringen voor.

Nu bleek ook dat politieke partijen geen reden van bestaan meer hadden, want iedereen was tevreden met zijn lot, zodat er niets te kankeren viel. Daarom zijn er geen politieke partijen meer, zoals U wel weet.

En die lege kranten? Daar kwam weer wat leven in nadat Leepneusje benoemd was tot Minister van Eerlijkheid, en het Commitee O.N.Z.I.N. opgeheven kon worden. Boezeroentje werd aangesteld als Deken van de Academie voor het Opleiden van Politici, waardoor het peil sterk gestegen is.

Dit is allemaal te danken aan de onwillige Kroonprins en zijn goede vriend Jochem Jofel.

Vervolg: de Praamsma familie emigreerd eerst naar Australie en daarna naar Amerika.          TOPp

 

Copyright © SiemPraamsma.com / All Rights Reserved

Site Map

Contact webmaster